Je ziet weleens beelden uit de jaren ’60, van bandjes als The Rolling Stones of The Beatles bijvoorbeeld, van punkbands aan het eind van de jaren ’70, van Nirvana uit hun begintijd. Wazige beelden, rauwe muziek, paniekerige mensen rond het podium, wild publiek dat meer lawaai maakt dan de band, en natuurlijk, gitaren die - bij voorkeur op een drumstel - kapot worden geslagen.
Hoewel ik die tijden niet zelf heb meegemaakt, zijn er toch momenten geweest dat ik ernaar verlangde. Dan was er weer erg binnen de lijntjes gekleurd bij een op zich leuk concert waar ik geweest was. Dan stond ik weer op de tram naar huis te wachten terwijl het nog helemaal licht was. Was dit nu rock-’n-roll in de 21e eeuw?
The Strokes hadden in 2001 hun eerste album Is This It uitgebracht. Het riep nostalgische gevoelens op, maar had tegelijkertijd zo’n uniek geluid, dat ze tot de redders van de toen toch enigszins ingekakte rockscene werden bestempeld. Paradiso was dan ook stijf uitverkocht en spatte uit elkaar van de hoge verwachtingen.
Dichterbij die rebelse sfeer uit de oudheid, die ik beschreef, ben ik in het echt nooit gekomen. Veertien liedjes speelden ze, zonder adempauze, superstrak. Meer liedjes hadden ze überhaupt ook niet, trouwens. Drie kwartier duurde het, niet langer, ze hadden schijt aan alles. Zanger Julian Casablancas nog het meest.
Twee keer dook hij het publiek in. Voor ze zonder gedag te zeggen wegliepen, sloeg Casablancas zijn microfoonstandaard nog even stuk op het podium. Niet zijn gitaar op het drumstel dus, maar ik deed het er voor. Ze deden geen toegiften natuurlijk ook. Dit was het, take it or leave it. Dit was, deze avond in elk geval, rock-’n-roll in de 21e eeuw.