Ik had een slecht instapmoment gekozen om fan van Bruce Springsteen te worden. De E Street Band werd gedumpt. Op een kleine opleving na (Streets Of Philadelphia) zat zijn carrière niet echt in de lift. Toen bracht hij ook nog zijn minst toegankelijke album ooit uit, The Ghost Of Tom Joad. Ik was pas 18, niet echt een leeftijd voor melodieloze liedjes over kinderen die belanden in drugssmokkel en straatprostitutie. Maar ik omarmde alles wat Bruce uitbracht, en vond het trouwens oprecht heel mooi.
Bruce Springsteen in Carré, dat was echt wel een ding. We lagen urenlang in de vrieskou voor Carré om aan kaartjes te komen. Vanuit onze auto draaiden we bootlegs, op vol volume - zo hebben we aardig wat vrienden gemaakt. Dit was toch wel de mooiste van alle kaartverkopen door de jaren heen. Het hielp natuurlijk wel dat we daar wegliepen met kaartjes in onze handen.
De liedjes van The Ghost Of Tom Joad zelf kregen lange gesproken intro's en kwamen zo veel meer tot leven. Bruce kwam hier met een serieuze boodschap. We werden dan ook vriendelijk verzocht stil te zijn en niet mee te klappen. De tournee werd in de wandelgangen omgedoopt tot de ‘Shut The Fuck Up Tour’.
Het was voor mij allemaal nieuw, zoiets als dit. ‘Akoestisch’ associeerde ik met ‘zacht’. Wist ik veel. Wat een geluid kon een man in zijn eentje produceren. Adam Raised A Cain, Darkness On The Edge Of Town en Born In The USA kregen een drastische bewerking.
Ook afsluiter The Promised Land kreeg een metamorfose. Hij begeleidde zichzelf door te trommelen op zijn gitaar, en zong een extreem trage versie, die in niets meer leek op het triomfantelijke origineel. “Mister I ain’t a boy, no I’m a man, and I believe in the promised land”, en dan een laatste klap op de gitaar, als een vingerknip om de betovering te doorbreken. Ongelofelijk dat het mogelijk was - letterlijk en figuurlijk - zo dichtbij een held te komen.