Een stoel op het podium. Als we ons afvroegen waarom hij steeds ging zitten… “Anders hadden we een bed mee moeten nemen”, zei Peter te Bos. Hij had het zwaar, fysiek. Wat wil je, de man is 74. Het leek alsof hij zich een beetje verloren voelde, op het podium, de eerste paar nummers. Dat vond ik zorgelijker. Hij moest slechts op gang komen, concludeerde ik anderhalf uur later.
Ik had Claw Boys Claw nog maar één keer eerder gezien. In Paradiso was dat, bij een feestje van hun label Excelsior, een paar jaar geleden. Een half uurtje was genoeg om de hele bovenzaal plat te spelen. Echt zo’n vuige donkere rockshow, zoals je ze nog maar weinig meemaakt. Dat smaakte naar meer.
Dat móest dit jaar dan gebeuren, want dit was hun afscheidstournee: “Nog één clubtour, nu we het nog goed kunnen”. De mannen van het eerste uur: Peter te Bos, flamboyante voorman. James Cameron, geweldige gitarist. Zijn dochters zongen trouwens een paar liedjes mee vanavond.
Op drums, sinds 2010: Jeroen Kleijn, ook drummer van Johan en Daryll-Ann. Hij heeft het er maar druk mee. Claw Boys Claw is volgens mij zijn zwaarste baan. Het gaat alle kanten op met ze namelijk. Dan weer garagerockachtig, of punk, zoals we ze vooral kennen, dan weer intiemer, met Te Bos die bijna als een crooner zingt.
Bobbie Rossini, de allereerste bassiste van de band (zij had het voorprogramma verzorgd met haar twee broers, als de Rossinis), speelde in de toegiften twee liedjes mee. Nog meer aanstekelijke chemie. Het werd beter en beter. De bewondering groter en groter. Fluor Amersfoort werd wilder en wilder.
Tegen het einde dacht ik te zien dat Te Bos zocht naar een mogelijkheid om het publiek in te duiken, zoals hij de afgelopen 40 jaar zo vaak had gedaan. Het podium was wat hoog. Er was geen trappetje in de buurt. Hij zag er vanaf en ging weer even zitten. De gedachte alleen al was mooi.