Ik had gehoopt dat de coronajaren een soort wake-upcall waren geweest. Dat mensen dachten: “Hee, zo’n concert, zo met zijn allen naar een bandje kijken, dat is iets bijzonders. Dat moet je koesteren. Daar ga je dus niet onafgebroken doorheen kletsen.” Maar nee…
Zelfs op verstilde momenten, of als de artiest het woord richt tot het publiek, gaat het gewauwel maar door. Hier heb ik het dus over die groepjes mensen waarvan je vrijwel direct doorhebt dat ze je de komende drie uur gaan tergen. Waarvan je je afvraagt waarom ze in godsnaam een euro of 40 hebben neergelegd, om vervolgens totaal niet bezig te zijn met het hele optreden.
Voor de duidelijkheid: wissel af en toe wat woorden met elkaar, natuurlijk, maak eens een grap, haal bier, heb lol. Maar doe niet alsof je aan een statafel op een verjaardagsfeestje staat. Hou een pietepeuterig klein beetje rekening met de mensen om je heen, en bijvoorbeeld ook met die mensen op het podium. Ja, daar staan ze, de muzikanten, iets verderop, als je je omdraait zie je ze bezig. Gedraag je alsjeblieft gewoon als iemand die zich… normaal gedraagt.
Kortom: Het was weer eens zo'n avond.
Gregory Alan Isakov had nog zoveel indruk gemaakt, drie jaar geleden, tijdens het Once In A Blue Moon festival. Dat was knap, dat hij ons pakte toen, met zijn broeierige liedjes, in een snikhete tent. Het staat buiten kijf dat deze man prachtige muziek maakt, klassiek gestoeld op (in mijn muzikale spectrum) niet alledaagse instrumenten als de contrabas, de viool en de banjo.
Maar vanavond kwam ik er nooit echt in zoals toen. Gregory Alan en ik voelden geen connectie. Zonde… Maar we konden elkaar weinig verwijten. The Dutch disease had weer eens toegeslagen.