“Als mijn carrière in de jaren ‘70 was begonnen, was ik waarschijnlijk een stuk succesvoller geweest. Maar dan was ik nu dood ook,” zei Jason Isbell in een interview met Rolling Stone. Hij heeft aardig zijn best gedaan zichzelf kapot te zuipen, maar dat is hem uiteindelijk niet gelukt. “Somebody saved me,” zong hij vanavond in opener What’ve I Done To Help. Die iemand was zijn vrouw, muzikante Amanda Shires.
Op zijn laatste plaat Reunions zingt hij pijnlijk letterlijk over zijn dagelijkse struggles. In It Gets Easier (“...but it never gets easy”), bijvoorbeeld: “Last night, I dreamed that I'd been drinking, same dream I have about twice a week. I had one glass of wine, I woke up feeling fine. And that's how I knew it was a dream.” Nee, je kunt Jason Isbell er nooit van betichten dat hij om de hete brei heen draait.
Neem Elephant bijvoorbeeld. Zijn tirade tegen kanker, zeg maar. Hij vertelt een verhaal waarin helaas, op de momenten dat ze boos zijn en het even niet lukt recht te praten wat krom is, veel te veel mensen zichzelf zullen herkennen. Ik wel althans: “There's one thing that's real clear to me, no one dies with dignity. We just try to ignore the elephant somehow”. Zo krijg je een zaal dus muisstil.
Dat ik toch bij vlagen afdwaalde, net als de vorige keer dat ik hem zag, wijt ik deze keer echt gewoon aan mezelf. Aan zijn fantastische band, de 400 Unit, kan dat ook al niet gelegen hebben.
Cover Me Up is zijn meesterwerk, durf ik wel te zeggen, waarin hij beschrijft hoe hij gered werd, en wie zijn redding was. Gejuich in Paradiso als hij zingt: “I sobered up, I swore off that stuff, forever this time”, en veel mensen die even naar hun partner naast zich kijken als hij vervolgt met “...home was a dream, one that I'd never seen, until you came along”. De verlossing. Steeds meer bandleden scharen zich bij hem, tijdens het nummer. Hij staat er niet alleen voor. Wij allemaal niet.