Matt Berninger belandde in een diepe depressie en writer’s block in coronatijd. Hij draaide in cirkeltjes van angsten en zorgen. Het einde van zijn band The National voelde nabij. Zijn vrouw en vrienden van de band gaven hem tijd en ruimte. Het vergde heel veel van hem maar hij kwam eruit. En hoe...
Twee nieuwe platen van The National, samenwerkingen met Taylor Swift en Phoebe Bridgers, gevolgd door een bijbehorende tournee langs grote zalen. In 2025 zijn tweede soloplaat, Get Sunk, met bijbehorende clubtour, direct gevolgd door zeven intieme shows in Europa, om het jaar af te sluiten. Wij waren bij de laatste daarvan, in Theater Rotterdam.
Hij werd begeleid door Ronboy op toetsen (ook supportact) en Sean O’Brien op gitaar (ook producer van Get Sunk). Berninger is de meest atypische frontman van een rockband die je je kunt voorstellen. Hij lijkt op de basisschoolleraar die ik had in de zesde klas. Zijn onhandigheid op het podium kwam nog meer naar de voorgrond in deze setting. Voorbeeldje: Hij sprak lief over zijn dochter, om het prachtige I Need My Girl te introduceren, was de bedoeling, maar dat stond pas later op de setlist (en het kwam niet in hem op om het dan maar wat eerder te spelen).
Op zo’n leeg podium, zonder de wall of sound van drums en elektrische gitaren, en woordelijk verstaanbaar, hakten zijn vaak onnavolgbare zielenroerselen er nog meer in dan normaal. Maar ik miste die drums en elektrische gitaren op een paar momenten wel. Bonnet Of Pins, beste nummer van de nieuwe plaat, kwam bijvoorbeeld niet echt van de grond.
Het bijzonderst was Nowhere Special, niet eerder gespeeld met dit trio. Het is bijna performance art, spoken word. Minutenlang murmelen in de microfoon, maar zó intens. Het mooist waren de rustige nummers van de nieuwe plaat. Frozen Oranges, Little By Little. Nou ja, rustig… Het mondt toch altijd weer uit in rusteloos ronddwalen over het podium, terwijl hij zijn woorden bijna letterlijk uitspuugt.